INLEIDING
De docent leidt leerlingen op voor de kennissamenleving waarin ICT een belangrijke rol speelt. De docent is zich bewust van de invloed van ICT-innovaties in het onderwijs. Dit vraagt een open en flexibele houding van de docent welke gekenmerkt wordt door initiatief en leiderschap, probleemoplossend vermogen en zelfreflectie. Dit uit zich in een professionele houding waarin de docent zich voortdurend bijschoolt in toepassingen van ICT in het onderwijs. Zelfstandig en in samenwerking met collega’s en kennisinstellingen onderzoekt de docent de mogelijkheden en toepassingen van didactische inzet van technologie, en integreert deze op een duurzame wijze in zijn eigen leer- en onderwijscontext. Vervolgens evalueert hij deze toepassingen in zijn onderwijs en stuurt hij zo nodig bij.
Indicatoren in Paragrafen en sub-paragrafen toegelicht. (Bron: Studiewijzer NHL & http://kennisbasisict.iminor.nl/)
1.1) DE DOCENT IS EEN LERENDE EN INNOVERENDE PROFESSIONAL.
Subindicatoren
1.1.1) De docent toont aan dat hij een lerende professional is die zelfstandig, creatief en kritisch gebruik maakt van de (nieuwe-) mogelijkheden van ICT bij leren, lesgeven en organiseren van onderwijs.
Suggesties
Je laat zien welke (online) kanalen je gebruikt om op de hoogte te blijven van je ICT kennis en vaardigheden.
Je kunt voorbeelden laten zien van sites waar ICT toepassingen staan voor je eigen vak zoals bijvoorbeeld:
Je laat zien dat je experimenteert met ICT. Maak bijvoorbeeld, als je dat nog niet gedaan hebt, een Kahoot of Mentimeter voor de intro van een les.
1.1.2) De docent toont aan dat hij beschikt over de overtuiging dat betekenisvol onderwijs vraagt om beargumenteerde inzet van ICT en is in staat om de verworvenheden en beperkingen van technologie te herkennen en te integreren in betekenisvol onderwijs.
Je laat een zelfontworpen les zien waarin je laat zien dat je ICT inzet met een evaluatie hoe één en ander is gegaan en hoe eventuele verbeteringen plaats kunnen vinden.
Indicator
1.2) DE DOCENT IS EEN FLEXIBELE EN ADAPTIEVE PROFESSIONAL.
Subindicatoren
1.2.1) De docent toont aan dat hij kan inspelen op onderwijskundige veranderingen en behoeften met betrekking tot het gebruik van ICT.
Suggesties
Je kunt vanuit de literatuur onderbouwen waar de inzet van ICT meerwaarde heeft voor jouw leerlingen. Op Kennisnet zijn hierover interessante publicaties te vinden.
1.2.2) De docent toont aan dat hij initiatieven neemt in het gebruik van ICT om zo sociale- en crossculturele vaardigheden te bevorderen.
Je laat een voorbeeld zien van een les waarin je leerlingen met ICT laat samenwerken in een online community aan de hand van een aantal regels. Een voorbeeld zijn de regels binnen MySchoolsNetwork.
Indicator
1.3) DE DOCENT IS EEN REFLECTERENDE EN ONDERZOEKENDE PROFESSIONAL.
Subindicatoren
1.3.1) De docent toont aan op methodische wijze ICT-gebruik te analyseren om zo systematisch verbeterpunten in zijn lespraktijk toe te passen en te beoordelen op effectiviteit.
Suggesties
Je eigen ICT en didactiek portfolio is een mooi voorbeeld hiervan.
1.3.2) De docent toont aan dat hij zoekt naar (interdisciplinaire) samenwerking met collega’s die in een vergelijkbare situatie rondom ICT en onderwijs verkeren.
Een online enquête onder collega’s over de inzet van ICT kan dit aantonen. Je kunt dit bijvoorbeeld doen met SurveyMonkey.
Indicator
1.4) DE DOCENT IS EEN SAMENWERKENDE PROFESSIONAL.
Subindicatoren
1.4.1) De docent toont aan dat hij opgedane ICT kennis en vaardigheden met andere docenten (binnen of buiten de school) kan delen om zo nieuwe kennis te construeren.
Suggesties
Je laat zien in welke formele en informele netwerken je participeert waar het gaat om de inzet van ICT in het onderwijs. Je kunt hierbij denken aan een LinkedIn groep of eenPinterest Board.
1.4.2) De docent ondersteunt en motiveert collega’s en leerlingen in hun ICT ontwikkeling.
Je laat zien hoe je collega’s helpt met het opzetten van leerpraktijken met behulp van ICT.
De docent beschikt over de digitale basisvaardigheden om ICT in het onderwijs effectief te kunnen inzetten in lessituaties én in de onderwijsorganisatie.
Deze vaardigheden zijn gebaseerd op de digitale basisvaardigheden die voor de hele Nederlandse beroepsbevolking van toepassing zijn. Deze basisvaardigheden zijn voorwaardelijk om ICT effectief in te kunnen zetten in het leren, lesgeven en organiseren van onderwijs.
Indicator
2.1) HARDWARE
Subindicatoren
2.1.1)
De docent toont aan diverse hardware te kunnen benoemen, aansluiten en bedienen.
Suggesties
Ik laat tijdens het beoordelingsgesprek zien hoe ik een beamer of een digitaal schoolbord op mijn laptop aansluit.
Ik laat zien hoe ik zelfgemaakte foto’s op mijn computer zet.
Ik kan leerlingen interactief laten werken met stemkastjes, smartphones of tablets en resultaten klassikaal projecteren.
Indicator
2.2) SOFTWARE
Subindicatoren
2.2.1)
De docent toont aan over algemene kennis van ICT te beschikken en de vaardigheden ten aanzien van bestandsbeheer te beheersen.
Suggesties
Ik kan leerlingen voorlichten over veilig gebruik van computer (back-ups, virus-, spam- en phishing preventie, sterke wachtwoorden.)
Ik ken een aantal cloud diensten en kan een collega de mogelijkheden en risico’s uitleggen
Ik kan software, indien mogelijk binnen de school, zelf installeren.
Ik kan leerlingen vertellen wat gangbare bestandsextensies zijn en aangeven met welk programma een bestand is te openenIk kan mijn eigen mappenstructuur tonen en laten zien hoe ik mijn bestanden beheer.
2.2.2)
De docent toont aan dat hij de vaardigheden beheerst om met software effectieve samenwerking en communicatie tot stand te brengen.
Ik kan bestanden delen met anderen door gebruik te maken van toepassingen voor online samenwerking en bestandsdeling, zoals bijvoorbeeld Microsoft Sharepoint, GoogleDrive en Dropbox
Ik kan aantonen dat ik (groeps)gesprekken kan voeren via de computer, via bijvoorbeeld Skype, Microsoft Lync, ooVoo of GoogleHangout
Ik werk met anderen samen in online omgevingen,zoals een wiki.
2.2.3)
De docent toont aan dat hij kan omgaan met standaard kantoortoepassingen: tekstverwerkers, spreadsheetprogramma’s en presentatiesoftware.
Ik gebruik de redigeerfunctie om leerlingen feedback te geven
Ik kan een door mij gemaakt document laten zien waar ik gebruik maak van automatisch gegenereerde inhoudsopgave, index en bibliografie
Ik kan cijfers berekenen m.b.v. de juiste formules en functies en grafieken maken in een spreadsheet
Ik kan een (online) presentatie tonen waar ik een video heb ingesloten.
2.2.4)
De docent toont aan dat hij een presentatie kan ondersteunen door gebruik te maken van software en hardware.
Ik kan student response systems, zoals bijvoorbeeld stemkastjes, Shakespeak, Nearpod en Socrative gebruiken om mijn onderwijs interactief te maken.
Ik kan een online enquête afnemen (b.v. Prowise Connect)
Ik kan een digitale presentatie (online) maken en publiceren in bijvoorbeeld een ELO
2.2.5)
De docent toont aan dat hij kan werken met de elektronische leeromgeving, portfoliosoftware, (leerling gerelateerde) administratieve systemen van de school.
Ik maak gebruik van de ELO van de school ten behoeve van het onderwijs en communicatie met leerlingen en collega’s
Ik kan resultaten, absenties en andere relevante informatie in het leerlingvolgsysteem van de school invoeren
Ik kan rapportages maken gebaseerd op leerlingdata (learning analytics)
Mijn eigen digitale portfolio is een bewijs voor deze indicator
2.2.6)
De docent toont aan dat hij educatieve software, serious games en mobiele apps kan inzetten.
Ik laat een door mij gemaakte les zien waar ik gebruik maak van een (Serious) Game.
Ik werk in mijn lessen met apps
2.2.7)
De docent toont aan dat hij foto’s, video’s en audio digitaal kan maken, bewerken/converteren, publiceren en delen.
Ik kan niet-digitale foto’s of teksten digitaliseren
Ik kan digitale foto’s maken en bewerken
Ik kan een video opnemen en bewerken
Ik kan foto’s, video’s en audio online publiceren
2.2.8)
De docent toont aan dat hij kan werken met digitale toetssystemen.
Ik heb een Socrative gemaakt en toegevoegd aan mijn portfolio.
Ik heb een filmpje gemaakt waarin ik laat zien hoe ik werk met een Kahoot.
Je laat een door jou gemaakte digitale toets (b.v. Wintoets, Maple) zien en kunt vertellen over de voor- en nadelen van het gebruik van digitale toetsen.
Indicator
2.3) STORINGEN
Subindicatoren
2.3.1)
De docent is in staat om kleine storingen zelf te benoemen en/of te verhelpen.
Suggesties
Je weet wat je moet doen als:
– als het beeld van de computer niet op de beamer of het digibord verschijnt
– de aanraakfunctie van van het digibord niet werkt
– het downloaden van updates en deze installeren wilt uitstellen
– een applicatie vastloopt
Wij leven in een maatschappij waar technologie, en met name de ontwikkeling van het internet en sociale media, de wijze waarop wij met informatie omgaan, leren en samenwerken fundamenteel verandert.
Voor het onderwijs ligt de taak om leerlingen hierop voor te bereiden.De docent is hierin rolmodel en begeleidt zijn leerlingen in het opdoen van kennis en vaardigheden om op een veilige manier gebruik te maken van de verworvenheden van het internet en om deze effectief in te zetten voor het eigen leren van de leerling.
De docent is mediawijs en informatievaardig en beschikt over vaardigheden op het terrein van digitaal kennismanagement. De docent begeleidt leerlingen in het adequaat gebruik maken van digitale bronnen en communicatie.
Indicator
3.1) INFORMATIEVAARDIGHEDEN
Subindicatoren
3.1.1)
De docent toont aan dat hij adequaat gebruik kan maken van zoekmachines en databases om zo digitaal (leer-) materiaal te ontsluiten.
Suggesties
Ik kan een scala aan geavanceerde moderne online zoekmethodes toepassen.
Ik kan werken met diverse wetenschappelijke databases (Google Scholar, Wolfram alpha, Science Direct)
Ik kan aan de hand van een opdracht, lesplan of website laten zien hoe ik leerlingen leer online te zoeken.
Maak gebruik van het platform Informatievaardigheden van de mediatheek!
3.1.2)
De docent toont aan dat hij sites kan beoordelen op betrouwbaarheid en authenticiteit en dat hij het belang hiervan kan overbrengen op zijn leerlingen.
Geef een voorbeeld van een instrument waarmee je websites op betrouwbaarheid kunt toetsen. Suggestie: Webdetective.
Noem een aantal sites voor je vak en beargumenteer waarom deze al dan niet betrouwbaar zijn.
Ik kan leerlingen via een stappenplan informatie laten zoeken op het web en deze laten beoordelen op betrouwbaarheid en authenticiteit
3.1.3)
De docent toont aan dat hij verantwoord kan omgaan met andermans (digitale) producten en op de hoogte is van de regels met betrekking tot plagiaat en plagiaatpreventie.
Geef aan de hand van een voorbeeld aan hoe je digitaal plagiaat kunt opsporen. Suggestie: Ephorus
Je geeft aan welke digitale copyright modellenje kent en aan de hand van een voorbeeld laat je zien dat je deze kunt toepassen.
Je gebruikt Kennisnet om op de hoogte te zijn wat scholen wel en niet mogen op gebied van auteursrecht en internet (Klik op de afbeelding om de publicatie te openen).
Indicator
3.2) KENNISMANAGEMENT
Subindicatoren
3.2.1)
De docent toont aan dat hij op efficiënte wijze informatiebronnen kan organiseren en deze kan inzetten als productiefactor voor leren en lesgeven.
Suggesties
Geef een voorbeeld hoe je met RSS feeds of ScoopIt informatiestromen filtert en beheerst.
Ik kan digitale bronnen delen met leerlingen en collega’s door middel van bijvoorbeeld Social Bookmarking of gedeelde opslagmedia (Google Docs, Dropbox)
Indicator
3.3) MEDIAWIJSHEID
Subindicatoren
3.3.1)
De docent toont aan dat hij creatief, kritisch en bewust kan omgaan met actuele media.
Suggesties
Ik laat zien hoe ik mezelf presenteer op diverse sociale en professionele netwerken
Ik laat zien welke media ik gebruik om leerlingen, ouders en collega’s in en om de school te informeren
3.3.2)
De docent toont aan inzicht te hebben in de manier waarop de digitale wereld invloed heeft op de opvoeding van jongeren.
Ik kan laten zien hoe leerlingen communiceren en werken met technologie en internet
3.3.3)
De docent toont aan dat hij voor leerlingen geschikte en betrouwbare digitale leerbronnen kan selecteren, passend bij hun leeftijd, sociaal- emotionele en morele ontwikkeling.
Noem een aantal gerenommeerde onderwijssites en laat zien hoe je de daar gevonden informatie toepast in je eigen onderwijs (Leraar24, Vives, Surf, Wikiwijs.)
3.3.4)
De docent toont aan dat hij leerlingen bewust kan maken van de meerwaarde en risico’s van internetgebruik.
Laat zien hoe je de mogelijkheden en gevaren van internet voor leerlingen concreet maakt. Dat kan b.v. met het online Mediawijsheid ganzenbord spel
3.3.5)
De docent toont aan dat hij zich bewust is van online pestgedrag en bekend is met de geldende protocollen.
Ik laat zien dat ik, indien van toepassing, digitaal pesten bespreekbaar maak, zodat er meer begrip ontstaat tussen pesters en kinderen die gepest worden
3.3.6)
De docent toont aan dat hij zijn leerlingen bewust om kan laten gaan met de mogelijkheden van internet en sociale media ten behoeve van het eigen leren.
Geef een voorbeeld van samenwerkend leren via Social Media via b.v. MySchoolsNetwork, Facebook of Instagram
Laat zien hoe je je onderwijs m.v.bv. Sociale Media ondersteunt of organiseert.
Geef een voorbeeld van online COP’s waar voor jou interessante informatie in te winnen is (Pinterest, LinkedIn)
DIDACTISCH HANDELEN
De docent maakt in onderwijssituaties die daarvoor geschikt zijn weloverwogen en doelmatig gebruik van ICT. Hierbij legt de docent verbinding tussen leerdoelen, didactische werkvormen en de inzet van ICT. De docent maakt keuzes ten aanzien van het type leerpraktijk, didactische strategie en de inrichting van de (digitale-) leeromgeving.
Indicator
4.1) HET MAKEN VAN DIDACTISCHE KEUZES
Subindicatoren
4.1.1)
De docent toont aan dat bij het ontwerpen van leerpraktijken met inzet van ICT leerdoelen, leerproces en toetsing op elkaar zijn afgestemd.
Suggesties
Via een lesformulier laat je zien hoe je ICT inzet en geef je aan op welke manier ICT bijdraagt aan het behalen van de lesdoelen.
Je gebruikt het Wheel of Pedagogy om een ICT tool te vinden bij werkvormen.
4.1.2)
De docent toont aan een relevante, rijke en effectieve leeromgeving te kunnen inrichten met ICT.
Je laat zien hoe je je eigen onderwijs organiseert met de inzet van een ELO.
4.1.3)
De docent toont aan individuele leerprocessen en samenwerkend leren te kunnen aansturen en begeleiden met een effectieve inzet van ICT.
Je laat zien via digitale tools hoe je leerlingen ondersteunt in het individueel werken
Je laat zien hoe je leerlingen laat samenwerken in een Wiki of website.
Indicator
4.2) ICT ORGANISEREN IN DE (DIGITALE) LEEROMGEVING
Subindicatoren
4.2.1)
De docent toont aan dat hij de benodigde faciliteiten, hard- en software kan organiseren.
Suggesties
Voor aanvang van het beoordelingsgesprek sluit je zelf de benodigde hardware aan.
Tijdens je presentatie werken alle links.
4.2.2)
De docent toont aan dat hij de schoolregels ten aanzien van ICT toepast en in staat is deze te vertalen binnen zijn onderwijscontext.
Je hebt een eigen mening over de inzet van de mobile telefoon in het onderwijs en je kunt deze mening funderen.
4.2.3)
De docent toont aan dat hij ICT betekenisvol en efficiënt kan inzetten rekening houdend met de grootte en de diversiteit van een groep leerlingen.
Je laat een webquest zien waar je leerlingen zelfstandig mee aan de slag kunnen
Je laat zien hoe je een digibord zinvol inzet.
Je geeft een voorbeeld van het principe van ‘Flipping the Classroom’
Indicator
4.3) ARRANGEREN VAN DIGITAAL LEERMATERIAAL
Subindicatoren
4.3.1)
De docent toont aan dat hij gebruik maakt van diverse vindplaatsen van digitaal leermateriaal en in staat is daaruit ander leermateriaal te arrangeren.
Suggesties
Je hebt een eigen arrangement gemaakt m.b.v. van digitaal leermateriaal van Wikiwijs. Klik hier voor een voorbeeld arrangement Wikiwijs, of op de
afbeelding voor een voorbeeld arrangement gemaakt met Thinglink.
4.3.2)
De docent toont aan dat hij digitaal leermateriaal kan aanpassen aan de kenmerken van de lerenden, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in niveau, interesse, tempo en wijze van leren.
Je laat zien hoe je m.b.v. ICT differentieert
Je laat zien hoe je principes van games gebruikt in het ontwerpen van leerpraktijk
4.3.3)
De docent toont aan dat hij in staat is om digitaal leermateriaal aan te passen rekening houdend met beeldschermdidactiek.
Je kunt aan de hand van een voorbeeld aangeven wat verstaan wordt onder beeldscherm didactiek
Indicator
4.4) KENNISOVERDRACHT
Subindicatoren
4.4.1)
De docent toont aan dat hij gebruik maakt van ICT in zijn instructie en daarbij diverse hard- en software kan inzetten.
Suggesties
Je hebt een Nearpod gemaakt ter ondersteuning van een onderwijsleergesprek
Je hebt een multimediale Prezi gemaakt.
4.4.2)
De docent toont aan dat hij ICT inzet om gestructureerd oefenen vorm te geven.
Je laat zien met welke programmatuur je je leerlingen leerstof laat oefenen en herhalen.
Indicator
4.5) KENNISCONSTRUCTIE
Subindicatoren
4.5.1)
De docent toont aan dat hij de actieve kennisconstructie van zijn leerlingen bevordert met behulp van ICT.
Suggesties
Ik laat zien hoe ik leerlingen laat werken met een online mindmap, een wiki of een serious game.
4.5.2)
De docent toont aan dat hij het leren leren van zijn leerlingen ondersteunt en bevordert met behulp van ICT.
Ik laat zien dat mijn leerlingen een digitaal portfolio maken
4.5.3)
De docent toont aan dat hij de synchrone- en asynchrone samenwerking en communicatie tussen leerlingen en docent op een gepaste manier faciliteert door gebruik te maken van ICT.
Ik laat zien dat mijn leerlingen via b.v. Google docs of een wiki samenwerken.
Ik laat zien hoe ik online feedback geef in b.v. Google docs of via myschoolsnetwork.com.
Indicator
4.6) BEOORDELEN VAN LEERPRESTATIES EN EVALUEREN VAN ONDERWIJS
Subindicatoren
4.6.1)
De docent toont aan dat hij het leerproces van leerlingen zichtbaar kan maken en kan volgen door middel van diverse vormen van digitale toetsing en evaluatie.
Suggesties
Ik kan een digitale toets maken via b.v. Wintoets, een elo of Socrative.
Ik kan motiveren of ik de toets formatief of summatief inzet.
Ik laat zien dat ik m.b.v. de toetsdata inzicht heb in de sterke en zwakke punten van mijn leerlingen.
4.6.2)
De docent toont aan dat hij een digitale toets kan maken die transparant is op validiteit en betrouwbaarheid.
Ik gebruik in mijn digitale toets verschillende vraagtypes
Ik kan aangeven voor mijn vak wat wel en wat minder geschikt is voor digitale toetsing
4.6.3)
De docent toont aan dat hij een digitale toets kan organiseren.
Ik laat resultaten van een door mij afgenomen toets zien d.m.v. een screenshot of spreadsheet.
Eisen aan je ICT-didaktiekportfolio
Het portfolio moet onafhankelijk van tijd en plaats door de beoordelaar bekeken kunnen worden (InnovationLab, Wiki, WordPress, Google sites, online mindmap etc.)
Het portfolio kent een relatief hoge kwaliteit en lage kwantiteit d.w.z. leesbaar in minder dan 2 uur.
Het portfolio heeft een heldere navigatie op basis van tenminste de competentie Didactisch handelen, Digitale media- en informatiegeletterdheid en Attitude.
Werken aan je ICT-competenties
Tijdens de propedeuse en in de hoofdfase werk je aan projecten en P-taken. Deze P-taken lenen zich uitstekend om te werken aan je ICT-competenties. Als je bijvoorbeeld binnen een P-taak leerlingen moet laten samenwerken zou je een Wiki kunnen ontwikkelen. Natuurlijk kun je ook buiten de P-taken bewijsmateriaal verzamelen voor je ICT & Didactiek portfolio; denk aan digitale presentaties binnen je opleiding, vakdidactiek en het volgen van onze workshops.
Goedkeuring portfolio
Als je denkt de ICT-competenties voldoende te kunnen aantonen, dan bied je je portfolio aan de ICT-deskundige aan.